Het begin
dat ergens in het donkere midden viel
hief haar hoofd slaperig naar het vallende licht.
Met de tijd, die nu opgekruld aan haar voeten lag,
had ze spelletjes gespeeld, verveeld gezeten
en herinneringen verhinderd.
Maar het niet-weten was dun en broos,
de hoeken braken eraf, wilde tijdens de rust al afronden.
Dat inluiden bovenop het verstillen
aanschouwde ze als iets dat zij niet was.
Het ontbreken dat probeerde te onderbreken,
met nummers en flitsen, gaf kras noch barst.
De opschudding wiegde haar dromen wakker
en liet geen streep na op wat niet bewoog.
Met een subtiele beweging verlengde ze de nacht,
zodat ze op haar eigen ritme kon ontwaken.